Hugo de Jonge: ‘Kap met de randverschijnselen. Kies voor de kern’

Door Ronald Buitelaar
, 10 mei 2017

Leestijd: 4 minuten
 

Voor een terugblik vindt onderwijswethouder Hugo de Jonge het, ook al zijn er volgend jaar gemeenteraadsverkiezingen, nog veel te vroeg: ‘We zijn er nog lang niet, er moet nog zoveel gebeuren’. Daarom volstaan we met een tussenbalans. Waar staat het Rotterdamse onderwijs en waar moet het naartoe?

Misschien kunnen we eerst enkele vragen behandelen die tijdens uw recente gesprek (zie ROM april) met enkele leraren zijn blijven liggen? Wat wilt u bijvoorbeeld zeggen tegen vragenstellers die aandacht vroegen voor betere begeleiding van beginnende leraren, versterking van het mentoraat en ruis in de zorgstructuur?

‘Ik vind daar heel veel van, maar stel vast dat ik er niet over ga. De eerste twee onderwerpen horen thuis bij de schoolbesturen en het laatste onderwerp is typisch iets dat bij het samenwerkingsverband passend onderwijs op tafel hoort te komen. Uiteraard wil ik het best ter sprake brengen, maar uiteindelijk zijn dat de partijen die deze vragen van antwoorden moeten voorzien.’

Laten we het dan hebben over uw eigen prestaties. U bent bijna acht jaar onderwijswethouder? Wat heeft u bereikt?

‘Als ik het Rotterdamse onderwijs van nu vergelijk met hoe het onderwijs erbij stond toen ik in 2010 begon, zie ik dat het een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. Je ziet eigenlijk op alle fronten dat we als Rotterdam het been bijtrekken, achterstanden inlopen en zelfs op bepaalde fronten voorop lopen. Zo hebben we onze achterstand op het landelijke gemiddelde bij de eindtoets gehalveerd en  het aantal leerlingen met de hoogste eindtoetsscore meer dan verdubbeld. Ook scoort de onderbouw van het vo wat taal en lezen betreft bijna op het gemiddelde, landelijke  niveau en is het aantal voortijdig schoolverlaters meer dan gehalveerd. Stuk voor stuk bewijzen dat Rotterdamse leraren in staat zijn het potentieel van hun leerlingen zo goed mogelijk te ontwikkelen.’

Mooie resultaten, maar ten koste van wat? Leraren en directies klagen en masse over forse werkdruk.

Ik ken die geluiden, maar ik wil er graag een kanttekening bij maken, want ik zie wel verschillen op Rotterdamse scholen. Als je gelooft in de dingen die je doet, daarvan geniet en ziet dat je werk resultaat heeft en dat je gewaardeerd wordt, dan weet ik uit ervaring dat veel uren draaien heerlijk kan voelen. Maar als je schooltaken moeten concurreren met andere taken, of als je het idee hebt dat er veel verplichtingen zijn waar je eigenlijk niet in gelooft omdat die niets toevoegen aan waarom jij ooit in het onderwijs ging, en je laat het gebeuren omdat je ervan uit gaat dat het van je wordt verwacht, dan kan het werk inderdaad onverwacht zwaar voelen. Ik zeg daarom: Kap met randverschijnselen en kies voor de kern.’

Gebeurt dat al?

‘Ja, maar nog niet genoeg. Doelgerichter werken van scholen en leraren mag zeker nog toenemen. Doelgerichtheid als in waarom doe ik de dingen zoals ik ze doe en doe ik dat voor ouders en kinderen of voor externe partijen? Als dat laatste het geval is zoek dan eens heel goed uit of dat wel allemaal moet. Geef invulling aan regels op een wijze  die past bij de doelen die je gesteld hebt. Bij initiatieven als de Meetup010 ontmoet ik leraren die luid en duidelijk verkondigen wat zij in het onderwijs van belang vinden en waarom zij doen wat zij doen. Ik vind dat een mooie uiting van toegenomen zelfbewustzijn bij leraren. Zulke leraren zijn de professionals die we in onze scholen nodig hebben. En ik weet dat in Rotterdam inmiddels veel meer van dat soort leraren rondlopen dan zeven jaar geleden. Dat geeft dus hoop voor de toekomst.’

Nog meer goed nieuws?

‘Zeker. Bij het mbo zien we dat het aantal deelnemers van niveau 1 en 2 daalt en het aantal deelnemers van niveau 3 en 4 stijgt. Goed nieuws, want hoewel we een mbo-stad zijn en blijven, wordt voor veel banen een steeds hoger niveau gevraagd. We doen er alles aan om arbeidsmarkt en onderwijs bij elkaar te houden zodat er geen kloof ontstaat tussen wat de markt vraagt en het onderwijs te bieden heeft, maar dat lukt helaas niet overal. Neem bijvoorbeeld de zorg waar een gebrek is aan hoger opgeleide krachten. En altijd maar terugvallen op hbo’ers willen we niet, omdat mbo-talent dan langs de kant blijft staan.’

Maar u eiste toch ook zelf dat elke groep nul een hbo’er moest hebben?

‘Dat klopt, maar dat wil ik graag nuanceren. Mijn eis vloeide voort uit het feit dat er een kwaliteitsimpuls nodig was. Ik snap niet dat we vanaf groep 1 een hbo-eis hanteren, maar dat die eis in de voorschoolse periode ontbrak. Dat ik daar inmiddels toch anders over ben gaan denken heeft te maken met twee zaken. Ten eerste heeft de sector mij ervan overtuigd dat het doorzetten van die eis de groei van de sector zou vertragen en werkeloosheid zou veroorzaken onder de huidige werknemers. Daarnaast is het alternatief, een hbo-coach voor meerdere groepen een uitstekend initiatief gebleken. Uit eerste rapportages blijkt hun inzet een grote meerwaarde te hebben. Dit succes laat zien dat de vve-sector in relatief korte tijd een grote kwaliteitssprong heeft gemaakt. Ik ben daar enorm trots op. De wijze waarop in die sector maar ook in de jeugdzorg, waar men met veel onzekerheden heeft te maken, de schouders eronder zet mag een voorbeeld zijn voor andere sectoren. Bewonderenswaardig!’

Een reactie plaatsen